Kleine ondernemersregeling

[vc_row][vc_column][vc_column_text][vc_row][vc_column][vc_column_text][symple_heading type=”h2″ title=”Inleiding” margin_top=”20px;” margin_bottom=”20px” text_align=”left”] De zogenoemde kleine ondernemersregeling houdt in dat een ondernemer, die in een kalenderjaar minder dan € 1.883 btw verschuldigd is, in aanmerking komt voor een vermindering van btw (artikel 25 van de Wet op de omzetbelasting 1968).

Gebruikte begrippen en afkortingen

[symple_column size=”one-fifth” position=”first”]
AWR
wet
besluit
beschikking
btw
btw-richtlijn

regeling [/symple_column]

[symple_column size=”four-fifth” position=”last”]
Algemene wet inzake rijksbelastingen
Wet op de omzetbelasting 1968
Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968
omzetbelasting
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PbEU L 347 van 11 december 2006)
Kleine ondernemersregeling (artikel 25 van de wet) [/symple_column]
[su_spacer size=”30″][/vc_column_text][/vc_column][/vc_row][vc_row][vc_column][vc_column_text][symple_heading type=”h2″ title=”Voor wie geldt de regeling?” margin_top=”20px;” margin_bottom=”20px” text_align=”left”]
De regeling geldt alleen voor natuurlijke personen. Rechtspersonen (BV’s, NV’s, verenigingen, stichtingen enz.), niet-rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen en doelvermogens zijn dus van de regeling uitgesloten. Onder natuurlijke personen wordt ook verstaan een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap (mits niet op aandelen) en soortgelijke samenwerkingsverbanden tussen natuurlijke personen.

De regeling geldt per ondernemer. Wanneer een ondernemer verschillende bedrijven uitoefent worden die bedrijven voor de toepassing van de regeling bij elkaar genomen.

De Nederlandse wetgeving sluit toepassing van de regeling uit als een ondernemer niet in Nederland is gevestigd en daar ook geen vaste inrichting heeft.
[su_spacer size=”30″]
[symple_heading type=”h2″ title=”Grondslag voor het berekenen van de vermindering” margin_top=”20px;” margin_bottom=”20px” text_align=”left”]

Teruggaaf van btw

De vermindering is afhankelijk van de in een kalenderjaar verschuldigde btw, na aftrek van de voorbelasting. Na afloop van een kalenderjaar nageheven of teruggegeven btw moet worden toegerekend aan het jaar waarop deze btw betrekking heeft. Ik keur op grond van artikel 63 AWR het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat in de volgende gevallen terug ontvangen of bijbetaalde bedragen worden verwerkt in het jaar van teruggaaf of bijbetaling:
* de teruggaaf van btw vanwege oninbare vorderingen (artikel 29 van de wet);
* de teruggaaf of bijbetaling van btw als gevolg van een wettelijke bepaling (bijvoorbeeld artikel 16 van het besluit).
Van een eenmaal gemaakte keuze kan niet worden afgeweken.

Bepalen bedrag voorbelasting

Het bedrag van de voorbelasting wordt bepaald aan de hand van de aan de ondernemer uitgereikte facturen. Ik keur op grond van artikel 63 AWR het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed, dat de ondernemer die gebruik maakt van de regeling, de voorbelasting bepaalt aan de hand van de door hem verrichte betalingen. De ondernemer die ervoor kiest om geen gebruik (meer) te maken van deze goedkeuring maakt deze keuze voor een periode van tenminste vijf jaren. Na het verstrijken van een periode van vijf jaren kan de ondernemer opnieuw een beroep doen op deze goedkeuring.
[su_spacer size=”30″]
[symple_heading type=”h2″ title=”Voorlopige vermindering” margin_top=”20px;” margin_bottom=”20px” text_align=”left”]

Schatting

De ondernemer kan per belastingtijdvak van het jaar waarover hij gebruik maakt van de regeling een voorlopige vermindering op de verschuldigde btw toepassen (artikel 24, eerste lid, van de beschikking). Hij moet dan vóór de eerste aangifte van een jaar een schatting maken van de btw die hij in dat jaar verschuldigd zal worden. Bij deze schatting moet rekening worden gehouden met de gegevens over het eerste belastingtijdvak. Op basis van deze schatting past de ondernemer per belastingtijdvak van een kwartaal een vermindering van btw toe. Als de schatting op redelijke wijze heeft plaatsgevonden, hoeft zij in de loop van het jaar niet te worden herzien.

Sterk wisselende omzet

Als het bedrag van de voorlopige vermindering hoger is dan de in een tijdvak verschuldigde btw, komt het verschil niet voor teruggaaf in aanmerking. Bij ondernemers met een sterk wisselende omzet in de verschillende tijdvakken van het jaar kan dit ertoe leiden, dat de voorlopige vermindering belangrijk achterblijft bij het bedrag van de vermindering waarop over het gehele jaar gemeten aanspraak bestaat (bijvoorbeeld seizoenbedrijven). Ik keur op grond van artikel 63 AWR het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat de inspecteur een bij het omzetverloop aangepaste voorlopige vermindering toestaat indien de aard van het bedrijf daartoe aanleiding geeft.

Maandaangifte

In gevallen waarin de btw wordt voldaan over een maand worden de bedragen van de voorlopige vermindering (zoals vermeld in artikel 24, tweede lid, van de beschikking) naar rato verlaagd.

Geen voorlopige vermindering

Als de ondernemer geen voorlopige vermindering heeft toegepast en na afloop van het jaar blijkt dat de regeling van toepassing is, kan hij een verzoek om teruggaaf doen. De ondernemer verwerkt dat verzoek in zijn aangifte over het laatste belastingtijdvak van dat jaar. Als dat niet meer mogelijk is, kan hij op de gebruikelijke wijze om teruggaaf verzoeken. Het terug te ontvangen bedrag telt niet mee bij de bepaling van de in het nieuwe jaar verschuldigde btw voor de toepassing van de regeling.
[su_spacer size=”30″]
[symple_heading type=”h2″ title=”Afwijkend boekjaar” margin_top=”20px;” margin_bottom=”20px” text_align=”left”]
De regeling is van toepassing per kalenderjaar. Ik keur op grond van artikel 63 AWR het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat de ondernemer die een boekjaar voert dat afwijkt van het kalenderjaar voor de toepassing van de regeling kan uitgaan van dat boekjaar.
[su_spacer size=”30″]
[symple_heading type=”h2″ title=”Afwijkingen administratieve verplichtingen” margin_top=”20px;” margin_bottom=”20px” text_align=”left”]
De ondernemer die gebruik maakt van de regeling moet voldoen aan de administratieve verplichtingen (artikelen 34 en 35 van de wet). De inspecteur kan afwijkingen van de administratieve verplichtingen toestaan (artikel 31, zevende lid, van de beschikking). In een voorkomend geval legt de inspecteur geen naheffingsaanslag op wegens het vervallen van de vermindering van btw op de enkele grond, dat de ondernemer die afwijkingen al vóór de toestemming toepaste.
[su_spacer size=”30″]
[symple_heading type=”h2″ title=”Ontheffing van administratieve verplichtingen” margin_top=”20px;” margin_bottom=”20px” text_align=”left”]

Moment van ingaan ontheffing

In bepaalde gevallen kan de ondernemer voor de btw ontheven worden van zijn administratieve verplichtingen die voortvloeien uit het belaste ondernemerschap (artikel 25, derde lid, van de wet). Een ondernemer die in aanmerking komt voor ontheffing van de administratieve verplichtingen, moet bij de inspecteur een verzoek indienen. Als de inspecteur het verzoek inwilligt, gaat de ontheffing in met ingang van 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin het verzoek is ingediend (artikel 25 van de beschikking). Dit betekent dat de ondernemer tot aan dat tijdstip nog moet voldoen aan de administratieve verplichtingen voor de btw. Om de administratieve lasten voor startende (kleine) ondernemers te verminderen keur ik vooruitlopend op wijziging van artikel 25, tweede lid, van de beschikking het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de inspecteur, in zoverre in afwijking van artikel 25, tweede lid, van de beschikking, aan het verzoek om ontheffing van administratieve verplichtingen terugwerkende kracht kan
verlenen tot de dag waarop het verzoek is ingediend. Ik verbind hieraan de volgende voorwaarden.
Voorwaarden:
– de ondernemer maakt aannemelijk dat hij na toepassing van artikel 25, eerste lid, van de wet over het jaar waarin het verzoek wordt ingediend geen btw hoeft te voldoen;
– de ondernemer heeft over het jaar waarin het verzoek wordt ingediend geen melding gemaakt van btw op de door hem uitgereikte facturen;
– de ondernemer maakt over het jaar waarin het verzoek wordt ingediend geen aanspraak op teruggaaf van btw en heeft dat ook niet gedaan.

Commissarissen

Commissarissen hebben als lid van de raad van commissarissen een toezichthoudende en adviserende taak. Als een naamloze of besloten vennootschap het zogenoemde “one-tier board” besturingsmodel toepast vervult de niet-uitvoerende bestuurder de rol van toezichthouder. Deze werkzaamheden worden zelfstandig uitgevoerd. Per commissariaat of niet-uitvoerend bestuurderschap dient te worden bezien of sprake is van belastingplicht voor de btw.
Tot 1 januari 2013 konden commissarissen nog gebruik maken van een goedkeuring op basis waarvan heffing van btw achterwege bleef bij het vervullen van niet meer dan 4 commissariaten. Dit heeft er mogelijk toe geleid dat de betrokken ondernemers die na toepassing van artikel 25, eerste lid, van de wet, geen btw behoeven te voldoen niet al in 2012 een verzoek om ontheffing van administratieve verplichtingen hebben ingediend. Dat zou er toe leiden dat deze ondernemers, mede gelet op de goedkeuring opgenomen in paragraaf 7.1, gedurende een gedeelte van het jaar 2013 aan de administratieve verplichtingen voor de btw moeten voldoen. Ik acht dat onder de gegeven omstandigheden niet wenselijk. Daarom keur ik het volgende goed met toepassing van artikel 63 AWR.
Goedkeuring
Ik keur onder de volgende vier voorwaarden goed dat de inspecteur verzoeken om ontheffing van de administratieve verplichtingen inwilligt en terugwerkende kracht verleent tot 1 januari 2013.
Voorwaarden:
a. Het betreft een commissaris of een niet-uitvoerende bestuurder, die met ingang van 1 januari 2013 in de heffing van btw wordt betrokken;
b. Het is aannemelijk dat de commissaris of niet-uitvoerende bestuurder na toepassing van artikel 25, eerste lid, van de wet geen btw hoeft te voldoen;
c. De commissaris of niet-uitvoerende bestuurder heeft met inbegrip van de ingangsdatum van de ontheffing geen melding gemaakt van btw op de door hem uitgereikte facturen;
d. Het verzoek is ingediend vóór 1 juli 2013.

Geen vermelding van btw

Als de ondernemer ontheffing van de administratieve verplichtingen heeft gekregen is hij niet verplicht facturen uit te reiken (artikel 25, derde lid van de
wet). Reikt hij toch een factuur uit, dan mag hij daarop op geen enkele wijze melding maken van btw. De afnemer kan ter zake van de aan hem verrichte levering of verleende dienst geen btw in aftrek brengen. Vermeldt de ondernemer toch btw op door hem uitgereikte facturen, dan vervalt de ontheffing voor het jaar waarin die uitreiking geschiedt. De vermindering van btw wordt niet aan hem verleend. In voorkomende gevallen zal daardoor de verschuldigde btw moeten worden nageheven. Doordat voor het bewuste jaar de grondslag aan de ontheffing is komen te vervallen, zal de ondernemer voor de rest van dat jaar de gewone administratieve verplichtingen moeten vervullen. In volgende jaren kan de ontheffing weer toepassing vinden zonder dat een nieuw verzoek om ontheffing wordt gedaan en voor zover aan de daarvoor gestelde eisen wordt voldaan.

Bedrijfsmiddel

Het kan voorkomen dat een ondernemer, die ontheffing van administratieve verplichtingen heeft gekregen, goederen levert die hij als bedrijfsmiddel heeft gebruikt. Ik keur op grond van artikel 63 AWR het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat voldoening van btw achterwege blijft als een ondernemer, die ontheffing heeft gekregen, goederen levert die hij als bedrijfsmiddel heeft gebruikt. De ondernemer mag dan geen btw in rekening brengen. Deze goedkeuring geldt ook als door die levering de btw na toepassing van de regeling boven € 1.345 zou stijgen. De ontheffing van administratieve verplichtingen blijft dan in stand.

Den Haag, 26 maart 2013.
de staatssecretaris van Financiën
F.H.H. Weekers

[att_button color=”black” url=”http://fiscalewegwijs.nl/wp-content/uploads/2013/09/Blkb-2013-400m-Kleine-ondernemersregeling.pdf” title=”Open het besluit” target=”blank” border_radius=””]Open het besluit om te printen[/att_button][/vc_column_text][/vc_column][/vc_row]

Overdrachtsbelasting verruiming termijn bij doorverkoop

Besluit van 31 augustus 2012, nr. BLKB 2012/1399M

De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
In dit besluit wordt goedgekeurd dat met ingang van 1 september 2012 de termijn van artikel 13 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer wordt verruimd van 6 maanden naar 36 maanden.

 

Inleiding

In artikel 13, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer is een voorziening opgenomen voor de doorverkoop van dezelfde onroerende zaak aan een ander binnen 6 maanden. De opvolgende verkrijger betaalt daardoor alleen overdrachtsbelasting over de meerwaarde. Binnen de huidige stagnerende vastgoedmarkt is deze doorverkooptermijn van 6 maanden over het algemeen te kort. Om de gehele vastgoedmarkt tegemoet te komen heeft het Kabinet op 31 augustus 2012 besloten de termijn van 6 maanden tijdelijk te verruimen naar 36 maanden voor verkrijgingen van onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderworpen, waarbij de eerste verkrijging plaatsvindt op of na 1 september 2012. De wet zal hiervoor worden aangepast. Deze wijziging zal worden opgenomen in een wetsvoorstel (Belastingplan 2013) dat nog aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, treedt deze wijziging op 1 januari 2013 in werking en zal terugwerken tot en met 1 september 2012.[/wpspoiler]

Goedkeuring

Het is niet wenselijk dat belanghebbenden de verkrijging van onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderworpen uitstellen tot het wetsvoorstel wordt aangenomen. Daarom keur ik vooruitlopend op wetswijziging het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur goed dat de termijn van artikel 13, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer wordt verruimd naar 36 maanden bij een verkrijging na een vorige verkrijging, mits de vorige verkrijging plaatsvindt op of na 1 september 2012.[/wpspoiler]

Toelichting

Met de goedkeuring wordt bereikt dat bij een verkrijging van dezelfde onroerende zaak door een ander binnen 36 maanden na een vorige verkrijging het bedrag waarover overdrachtsbelasting wordt berekend, wordt verminderd met het bedrag waarover bij de vorige verkrijging(en) was verschuldigd hetzij overdrachtsbelasting die niet in mindering heeft gestrekt van schenk- of erfbelasting, hetzij omzetbelasting die geheel niet in aftrek kon worden gebracht.

De goedkeuring geldt zowel voor woningen als niet-woningen. De goedkeuring werkt ook door naar het tweede lid van artikel 13 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Voor de goedkeuring wordt alleen als vorige verkrijging aangemerkt de verkrijging die plaatsvindt op of na 1 september 2012. Hierna geef ik in enkele voorbeelden aan wanneer de goedkeuring wel of niet geldt.

Voorbeeld 1

A verkrijgt op 1 oktober 2012 een onroerende zaak. Op 1 oktober 2013 verkrijgt B deze onroerende zaak van A. Op 1 juli 2015 verkrijgt C de onroerende zaak van B. Door de goedkeuring kan artikel 13 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer worden toegepast zowel bij de verkrijging van B als de verkrijging van C.

Voorbeeld 2

A verkrijgt op 1 november 2012 een onroerende zaak. Op 1 augustus 2013 verkrijgt B deze onroerende zaak van A. Op 1 december 2015 verkrijgt C de onroerende zaak van B. Door de goedkeuring kan artikel 13 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer worden toegepast zowel bij de verkrijging door B als de verkrijging door C. Bij de verkrijging door C geldt alleen de verkrijging van B als de vorige verkrijging. De verkrijging door A ligt voor C immers buiten de termijn van 36 maanden.

Voorbeeld 3

A heeft op 1 maart 2012 een onroerende zaak verkregen. Op 1 maart 2013 verkrijgt B deze onroerende zaak van A. In dit geval is de goedkeuring niet van toepassing, omdat de vorige verkrijging door A plaatsvond vóór 1 september 2012. [/wpspoiler]

Inwerkingtreding en vervaldatum

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 2012.

Dit besluit vervalt op 1 januari 2013.

Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd.

Den Haag, 31 augustus 2012 de Staatssecretaris van Financiën, F.H.H. Weekers

 

Zie besluit

Invloed van verbeteringen bij overdracht woning

Dit besluit bevat het beleid over de toepassing van artikel 10 van de Successiewet 1956, met ingang van 1 januari 2010, bij overdracht.
Dit onderdeel behandelt de invloed van verbeteringen.

 

Besluit: BLKB 2012/103M

Geldig vanaf:4 april 2012

 

 

Tekst uit besluit:

6. De invloed van verbeteringen

In mijn antwoorden van 14 november 2011, nr. DGB2011/6811U, op de Kamervragen van het lid Omtzigt(Kamerstukken II 2011/12, Aanhangsel 663) ben ik onder meer ingegaan op de invloed van
verbeteringen aan de woning na overdracht aan het kind. Voor de Successiewet wordt uitgegaan van de WOZ-waarde van de woning op het moment van het overlijden (artikel 21, vijfde lid, van de Successiewet). Voor de toepassing van artikel 10 van de Successiewet wordt die WOZ-waarde
gerelateerd aan de staat van de woning op het moment van de rechtshandeling. De waardestijging die ontstaat door tussentijdse verbeteringen wordt niet in de grondslag van artikel 10 van de Successiewet betrokken. Een uitzondering hierop is een verbetering die het gevolg is van de omzetting van volle eigendom in vruchtgebruik. De belanghebbende moet aannemelijk maken dat sprake is van een verbetering die heeft geleid tot waardevermeerdering. Hiervoor geldt geen oorgeschreven vorm, maar de vrije bewijsleer. De waardestijging door een verbetering moet twee keer worden gewogen, namelijk op het moment van de rechtshandeling en het moment van overlijden van de vruchtgebruiker.

Voorbeeld
Een ouder droeg zijn woning in 1990 over aan zijn kind onder voorbehoud van vruchtgebruik. De waarde in het economische verkeer was toen € 25.000. Op 1 januari 2010 was de WOZ-waarde € 110.000. Het kind heeft in 2000 de woning verbeterd. Zonder die verbetering zou de WOZ-waarde op 1 januari 2010 € 100.000 zijn. De ouder overlijdt in 2020, de WOZ-waarde is dan € 155.000. Zonder de verbetering in 2000 zou de WOZ-waarde in 2020 € 140.000 zijn. De waardestijging door de verbetering blijft buiten beschouwing. Uitgangspunt voor artikel 10 van de Successiewet is dus € 140.000. Door de goedkeuring in onderdeel 5 blijft buiten aanmerking de waardestijging van 1990 tot 2010 van € 75.000 (€ 100.000 – € 25.000). Op grond van artikel 10 van de Successiewet wordt de woning als verkrijging van € 65.000 in aanmerking genomen (€ 25.000 + € 40.000). Ook onder de toepassing van de goedkeuring blijft de waardestijging door de verbetering in dit geval buiten de erfbelasting.

Overgangsregeling voor overdrachten van woningen vóór 1 januari

Dit besluit bevat het beleid over de toepassing van artikel 10 van de Successiewet 1956, met ingang van 1 januari 2010, bij overdracht.
Dit onderdeel bevat een overgangsregeling voor woningen die zijn overgedragen vóór 1 januari 2010. Voor de toepassing van artikel 10 van de Successiewet blijft de waardeaangroei vanaf de datum van de rechtshandeling tot 1 januari 2010 buiten aanmerking.

 

Besluit:BLKB 2012/103M

Geldig vanaf:1 januari 2010

Tekst uit besluit:

5. Overgangsregeling voor overdrachten van woningen vóór 1 januari 2010

In de besluiten van 30 november 1964, nr. D4/8981 en 25 augustus 1980, nr. 280-11466, was een goedkeuring gegeven voor de toepassing van artikel 10 van de Successiewet. Die besluiten zijn ingetrokken bij besluit van 16 december 2009, nr. CPP2009/2357M. In mijn antwoorden van 18 oktober 2011, nr. DGB/2011/5072U, op Kamervragen van de leden Omtzigt en Ormel (Kamerstukken II 2011/12, Aanhangsel 342), heb ik aangegeven alsnog overgangsrecht te treffen voor de intrekking van het besluit uit 1964. Ik keur daarom het volgende goed.

Goedkeuring
Ik keur onder voorwaarden goed dat voor de toepassing van artikel 10 van de Successiewet voor onroerende zaken die in gebruik zijn als woning wordt uitgegaan van de waarde van die woning op het tijdstip van de rechtshandeling(en) waarbij het genot is ontstaan, vermeerderd met de waardestijging van 1 januari 2010 tot de overlijdensdatum. De waardestijging vanaf het tijdstip van de rechtshandeling tot 1 januari 2010 wordt dus niet meegenomen in de grondslag van artikel 10 van de Successiewet.

Voorwaarden
Voor de goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden:

  • Vanaf 2010 geldt voor de Successiewet voor woningen de WOZ-waardering (artikel 21, vijfde lid, van de Successiewet). Als waarde per 1 januari 2010 geldt de WOZ-waarde die voor het kalenderjaar 2010, met peildatum 1 januari 2009, voor de woning is vastgesteld.
  • Het genot waarop artikel 10 van de Successiewet betrekking heeft, is ontstaan vóór 1 januari 2010.
  • Als de waarde op het moment van overlijden lager is dan de waarde op 1 januari 2010, wordt de waarde op het moment van de rechtshandeling in aanmerking genomen. Als de waarde op het moment van overlijden lager is dan de waarde op het moment van de rechtshandeling geldt, op grond van de wet, de waarde op het moment van overlijden.

Toelichting
Het overgangsrecht geldt ook voor de gesplitste aankoop of de splitsing na aankoop van de volle eigendom van vóór 2010. Ook geldt het overgangsrecht voor de gevallen waarin het vruchtgebruik (voor of na 1 januari 2010) is omgezet in huur. Hierna volgt een aantal voorbeelden over de systematiek. In alle gevallen geldt dat daarna nog rekening moet worden gehouden met het opgeofferd bedrag. Zie daarvoor onderdeel 2 van dit besluit.

Voorbeeld 1
Een ouder droeg zijn woning in 1990 over aan zijn kind onder voorbehoud van vruchtgebruik. De waarde in het economische verkeer van de volle eigendom van de woning was toen € 25.000. Op 1 januari 2010 was de WOZ-waarde € 100.000. De ouder overlijdt in 2020. De WOZ-waarde is dan € 140.000. Door de goedkeuring wordt op grond van artikel 10 van de Successiewet de woning voor € 65.000 (de waarde ten tijde van de rechtshandeling plus de waardestijging vanaf 1 januari 2010) in aanmerking genomen. Buiten aanmerking blijft de waardestijging van 1990 tot 2010 van € 75.000 (€ 100.000 – € 25.000).

Voorbeeld 2
Een ouder droeg zijn woning in 1990 over aan zijn kind onder voorbehoud van vruchtgebruik. De waarde in het economische verkeer van de volle eigendom van de woning was toen € 25.000. Op 1 januari 2010 was de WOZ-waarde € 100.000. De ouder overlijdt in 2011, de WOZ-waarde is dan € 98.000. Door de goedkeuring blijft de waardestijging van 1990 tot 2010 van € 75.000
(€ 100.000 – € 25.000) buiten beschouwing. De waarde kan door de overgangsregeling echter niet minder worden dan de waarde op het moment van de rechtshandeling. Voor artikel 10 van de Successiewet is de verkrijging € 25.000.

Voorbeeld 3
Als voorbeeld 2. Maar de ouder heeft voor of na 1 januari 2010 afstand gedaan van het vruchtgebruik en is de woning van het kind gaan huren. De uitkomst blijft hetzelfde. De betaling door het kind voor de verkrijging van het vruchtgebruik, verhoogt zijn opgeofferd bedrag.

Voorbeeld 4
Een ouder droeg zijn woning in 2008 over aan zijn kind onder voorbehoud van vruchtgebruik. De waarde in het economische verkeer van de volle eigendom vande woning was toen € 110.000. Op 1 januari 2010 was de WOZ-waarde€ 100.000. De ouder overlijdt in 2011, de WOZ-waarde is dan € 98.000.Op grond van artikel 10 is de verkrijging € 98.000.

Ambtshalve vermindering
Als een aanslag erfbelasting onherroepelijk vaststaat, is het besluit van 16december 2010, nr. DGB2010/6799M, van toepassing. Een belanghebbende kan verzoeken de overgangsregeling alsnog toe te passen en zijn aanslag ambtshalve te verminderen.

Overdracht onder voorbehoud van huur

Dit besluit bevat het beleid over de toepassing van artikel 10 van de Successiewet 1956, met ingang van 1 januari 2010, bij overdracht onder voorbehoud van huur.
Dit onderdeel bevat een goedkeuring voor de situatie waarin een onroerende zaak vóór 1 januari 2010 is overgedragen onder voorbehoud van een huurrecht. Dit onderdeel bevat een verduidelijking voor de zakelijke huurprijs die is overeengekomen vóór 1 januari 2010.

 

Besluit:BLKB 2012/103M

Geldig vanaf:1 januari 2010

 

Tekst uit besluit:

4. Overdracht onder voorbehoud van huur

Bij de overdracht door een ouder van zijn woning aan een kind onder voorbehoud van een huurrecht, blijft artikel 10 van de Successiewet buiten toepassing als de ouder jaarlijks aan het kind een zakelijke huur heeft betaald die tenminste gelijk is aan 6% van de waarde van de woning in onbezwaarde staat. Als de overdracht al vóór 1 januari 2010 heeft plaatsgevonden, moet de huur al die tijd ten minste 6% van de waarde hebben bedragen. Het in onderdeel 3.1. vermelde wettelijke overgangsrecht is immers beperkt tot schuldigerkenningen. Deze beperking leidt tot een onevenwichtigheid in behandeling met huursituaties. Tijdens de parlementaire behandeling heb ik toegezegd een voorziening te treffen voor op 1 januari 2010 bestaande huursituaties (Kamerstukken I 2009/10, 31 930, nr. F, blz. 15). Ik keur daarom het volgende goed.

Goedkeuring
Ik keur onder een voorwaarde goed dat artikel 10, derde lid, van de Successiewet buiten toepassing blijft bij een overdracht vóór 1 januari 2010 van een woning, onder voorbehoud van een huurrecht waarvan de huur minder is dan 6% van de waarde van de woning in onbezwaarde staat.

Voorwaarde
Voor deze goedkeuring geldt de voorwaarde dat bij de overdracht een huursom is overeengekomen, waarvan de betrokkenen in redelijkheid konden aannemen dat die huursom zakelijk was en dat dit tot het moment van het overlijden zo is gebleven.
De voor de hand liggende wijze van het zakelijk houden van de huursom is dat de huursom de trendmatige huurontwikkeling volgt. Hieraan is in ieder geval voldaan als de huur jaarlijks is aangepast aan de huurindexatie. Maar er zijn ook andere manieren om een huur zakelijk te houden, zoals een periodieke vaststelling van de zakelijke huur door een deskundige. Of de huur zakelijk was en ook zakelijk is gebleven, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval.
Ter voorkoming van misverstanden merk ik nog op dat voor huursituaties die op of na 1 januari 2010 zijn ontstaan, de wettelijke regeling geldt. In die gevallen geldt een huursom van 6% van de WOZ-waarde van de woning in onbezwaarde staat als voorwaarde om toepassing van artikel 10 van de Successiewet te voorkomen.

Schuldigerkenningen uit vrijgevigheid

Dit besluit bevat het beleid over de toepassing van artikel 10 van de Successiewet
1956, met ingang van 1 januari 2010, bij de vergoeding bij schuldigerkenning uit vrijgevigheid.
In dit onderdeel wordt de rentevergoeding bij schuldigerkenningen behandeld.
Artikel 10 wordt niet toegepast als jaarlijks 6% rente is betaald. Inhaalbetalingen zijn tot overlijden mogelijk als over de inhaalperiode ten minste 6% samengestelde rente is betaald. Voor schuldigerkenningen van vóór 2010 tegen een zakelijke rente mag ook voor de inhaalbetaling die zakelijke rente worden gehanteerd. In onderdeel 3 is thans tot uitdrukking gebracht dat een
daadwerkelijke jaarlijkse vergoeding van ten minste 6% van het schuldig erkende bedrag altijd volstaat, ook als een zakelijke rente op zich hoger zou zijn dan 6%.

 

[wpcol_1third id=”” class=”” style=””]

Besluit:

Geldig vanaf:

Ingetrokken d.d.:

Intrekkeningsbesluit:

[/wpcol_1third] [wpcol_2third_end id=”” class=”” style=””]

BLKB 2012/103M

4 april 2012

 

 

[/wpcol_2third_end]

Tekst uit besluit:

3. Schuldigerkenningen uit vrijgevigheid

Bij schuldigerkenningen uit vrijgevigheid kan bij overlijden van de schuldigerkenner sprake zijn van een fictieve verkrijging. Bij een schuldigerkenning uit vrijgevigheid blijft toepassing van artikel 10 van de Successiewet achterwege als is voldaan aan de volgende twee voorwaarden:

  • De schuldigerkenner heeft daadwerkelijk jaarlijks een vergoeding betaald voorhet door hem schuldig erkende bedrag.
  • De vergoeding is ten minste gelijk zijn aan 6% van het schuldig erkende bedrag (artikel 10, derde lid, van de Successiewet).

De daadwerkelijke jaarlijkse vergoeding van ten minste 6% van het schuldig erkende bedrag volstaat, ook als de zakelijke rente op zich hoger zou zijn dan 6%. Door het opnemen van deze 6%-normrente wordt enerzijds bereikt dat hetgeen de overledene geacht kan worden te genieten aan een maximum wordt gebonden en anderzijds dat er ook genot is als de vergoeding daar beneden ligt. Dus ook bij bijvoorbeeld een rente van 5,8% is er sprake van genot; een beetje genot is immers ook genot. Het genot is ook behouden indien 10% is overeengekomen en de ouder 6% betaalt. In dit geval heeft de ouder het genot over de rente behouden (Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, p. 39).

3.1. Overgangsrecht
Artikel XII, vijfde lid, van de Wet van 17 december 2009 (Stb. 2009, 564) voorziet in overgangsrecht met betrekking tot schuldigerkenningen uit vrijgevigheid die zijn overeengekomen voor 1 januari 2010. In een dergelijk geval blijft toepassing van artikel 10 van de Successiewet bij het overlijden van de schuldenaar achterwege, als de betrokkenen in redelijkheid mochten aannemen dat de afgesproken rente zakelijk was. Uiteraard dient deze rente dan conform het derde lid van artikel 10 van de Successiewet daadwerkelijk en jaarlijks tot het overlijden van de schuldigerkenner te zijn betaald. Zie hiervoor ook onderdeel 3.2. hierna.

3.2. De rente moet op tijd zijn betaald
Als op het moment van overlijden niet alle verschuldigd geworden rente daadwerkelijk is betaald, is artikel 10 van de Successiewet van toepassing.

Lopende termijn
Voor de nog niet verschuldigde rente over de op het moment van overlijden nog lopende termijn geldt het volgende. Als deze rente na overlijden wordt betaald of verrekend, kan voor de toepassing van artikel 10 van de Successiewet worden aangenomen dat deze rente is betaald. Dit geldt echter alleen als de rentetermijn maximaal een jaar is.

Inhaalbetalingen
Alle al verstreken rentetermijnen moeten op het moment van overlijden zijn betaald. Bij een te late betaling vóór het overlijden wordt toepassing van artikel 10 van de Successiewet voorkomen als op het moment van het overlijden:

  • de rente zelf is betaald;
  • over de te laat betaalde rente een samengestelde rentevergoeding is betaald over de periode vanaf het moment van de verschuldigdheid van de rente tot de daadwerkelijke betaling van de rente;
  • die samengestelde rentevergoeding gelijk is aan de overeengekomen rente bij de schuldigerkenning. Als die rente hoger is dan 6%, kan worden volstaan met een samengestelde rente van 6%.

Als de rente of de samengestelde rentevergoeding dus tijdens het leven van de schuldigerkenner niet daadwerkelijk of niet geheel is betaald, is artikel 10 van de Successiewet van toepassing, over het gehele schuldig erkende bedrag.

Gesplitste aankoop in vruchtgebruik en bloot eigendom

Dit besluit bevat het beleid over de toepassing van artikel 10 van de Successiewet 1956, met ingang van 1 januari 2010, bij gesplitste aankoop of splitsing na aankoop. Dit onderdeel ziet op de uitwerking bij gesplitste aankoop en splitsing in vruchtgebruik en bloot eigendom na aankoop. Dit onderdeel is uitgebreid met een voorbeeld over (de oprenting van) het opofferd bedrag.

 

Besluit:BLKB 2012/103M

Geldig vanaf:4 april 2012

Tekst uit besluit:

2. Gesplitste aankoop

Tot en met 2009 gold artikel 10 van de Successiewet voor de situatie waarin de erflater zelf de bloot eigendom overdroeg. Voor overlijdens op 1 januari 2010 en later is artikel 10 van de Successiewet ook van toepassing bij de zogenoemde gesplitste aankoop en de splitsing na aankoop van de volle eigendom.  Een voorbeeld van een gesplitste aankoop is dat tegelijkertijd de ouder(s) het vruchtgebruik en het kind de bloot eigendom van een goed kopen van een derde.
Een voorbeeld van de splitsing na de aankoop is dat het kind van een derde de volle eigendom koopt en vervolgens het vruchtgebruik overdraagt aan zijn ouder(s).

Opgeofferd bedrag
Bij de toepassing van artikel 10 van de Successiewet komt in mindering hetgeen de verkrijger heeft opgeofferd voor zijn fictieve verkrijging (artikel 7, eerste lidvan de Successiewet). Voor de gesplitste aankoop en de splitsing na aankoop werkt dit als volgt uit. Bij de gesplitste aankoop is hetgeen het kind heeft opgeofferd de koopsom voor de bloot eigendom van de derde. Bij de splitsing na aankoop is hetgeen het kind heeft opgeofferd de waarde van de bloot eigendom ten tijde van de splitsing.
Het opgeofferd bedrag wordt vermeerderd met 6% enkelvoudige rente (artikel 7, derde lid, van de Successiewet) van de dag van de splitsing tot en met de dag van het overlijden. De fictieve verkrijging kan hiermee echter niet negatief worden (artikel 7, eerste lid, slot, van de Successiewet).

Voorbeeld
Het kind verkreeg op 2 februari 2002 de bloot eigendom van een derde voor € 100.000. Het kind betaalde hierover € 6.000 overdrachtsbelasting. Zijn ouder verkreeg van die derde het vruchtgebruik. De ouder overleed op 1 februari 2012.
Artikel 10 van de Successiewet is van toepassing. Het opgeofferde bedrag is:
– De betaling voor de bloot eigendom op 1 juli 2002 € 100.000
– De enkelvoudige oprenting over € 100.000, 10 x 6% € 60.000
– Totaal opgeofferd € 160.000
De overdrachtsbelasting die het kind heeft betaald voor de verkrijging van de bloot eigendom komt in mindering op de verschuldigde belasting (artikel 7, tweede lid, van de Successiewet).


Verkoop woning jaar voordat nieuwe woning wordt aangekocht

Box 3 geeft de vermogenspositie van de belastingplichtige weer. Het kan voorkomen dat belastingplichtige in enig jaar een woning verkoopt en pas het volgende jaar een nieuwe woning aankoopt. Mocht als gevolg daarvan het box 3 vermogen tijdelijk zijn toegenomen, dient dit gewoon te worden opgegeven als box 3 vermogen. Verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule worden afgewezen.

 

Tekst uit besluit:

2.2 Van de oude eigen woning via box 3 naar de nieuwe eigen woning

Het komt voor dat een belastingplichtige de eigendom van zijn eigen woning overdraagt en vervolgens na de jaarwisseling de eigendom van zijn nieuwe eigen woning verkrijgt. Dat kan gevolgen hebben voor box 3. Zie onderstaand voorbeeld ter verduidelijking.

Voorbeeld
De heer A verkoopt in 2012 zijn eigen woning en draagt de eigendom in datzelfde jaar over aan de koper. Na aflossing van zijn hypotheekschuld houdt de heer A een bedrag over. De heer A zet dit bedrag in 2012 op een spaarrekening en betrekt een huurhuis.
In 2013 zegt de heer A de huur op en koopt een nieuwe eigen woning. Voor de financiering van deze nieuwe eigen woning haalt hij het bedrag van zijn spaarrekening.

Toelichting en verzoeken hardheidsclausule
Het bedrag dat de heer A op zijn spaarrekening heeft gezet, behoort tot de bezittingen in box 3 op de peildatum 1 januari 2013 (artikel 5.3, tweede lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001). Verzoeken om met toepassing van de hardheidsclausule (artikel 63 van de AWR) goed te keuren dat de heffing in box 3 over het spaarsaldo achterwege blijft, wijs ik af. Op 1 januari 2013 heeft de heer A namelijk een bezitting in box 3 en geen eigen woning. De wetgever heeft met de vermogensrendementsheffing (box 3) gekozen voor een robuust en eenvoudig uitvoerbaar systeem. In dat systeem maakt het niet uit wat de herkomst van een bezitting is of hoe lang de werkelijke bezitsperiode is en wordt het saldo van de bezittingen minus de schulden (de rendementsgrondslag) op de peildatum vastgesteld.

Belastingschuld in BOX3

Box 3 geeft de vermogenspositie van de belastingplichtige weer. Schulden die niet in box 3 mogen worden vermeld zijn belastingschulden (art 5.3 lid 3 b en c Wet op de IB), met als uitzondering daarop erfbelastingschulden.

Middels een voorlopige aanslag kan belastingplichtige het vermogen reeds gedurende het belastingjaar verlagen.

Mocht belastingplichtige een voorlopige aanslag voor 1 oktober hebben aangevraagd en deze is nog niet betaald zonder dat de belastingplichtige hier schuld aan heeft, kan de hoogte van deze aangevraagde aanslag opgenomen worden als schuld.

Eveneens mag als schuld worden opgenomen de in januari 2008 middels automatisch incasso geincasseerde betaling van de voorlopige aanslag 2007 (welke in december 2007 had moeten worden uitgevoerd).

 

Tekst uit besluit:

2.1. Tijdig verzoek om een voorlopige aanslag en box 3

Met uitzondering van erfbelastingschulden zijn belastingschulden geen schulden in box 3 (artikel 5.3, derde lid, onderdelen b en c, van de Wet IB 2001). De belastingplichtige kan de eventuele nadelige gevolgen van deze regel voor inkomstenbelastingschulden voorkomen door tijdig een verzoek voor een (nadere) voorlopige aanslag of een aangifte in te dienen en de aanslag voor de peildatum van box 3 te betalen.

Voor de belastingjaren 2012 en eerder wordt in dit kader onder tijdig verstaan: een schriftelijk verzoek om een (nadere) voorlopige aanslag of een aangifte die vóór 1 oktober is ingediend. Met ingang van het belastingjaar 2013 wordt onder tijdig verstaan:
a. Een schriftelijk of digitaal verzoek om een (nadere) voorlopige aanslag dat 8 weken voor het einde van het kalenderjaar is ingediend.
b. Een aangifte die 13 weken voor het einde van het kalenderjaar is ingediend.

Na het tijdig indienen van een verzoek om een (nadere) voorlopige aanslag of een aangifte kan het voorkomen dat verwerking door de inspecteur meer tijd in beslag
neemt dan gebruikelijk is. De (nadere) voorlopige aanslag naar aanleiding van het verzoek of de aangifte kan dan op zodanig tijdstip worden vastgesteld dat de
belastingplichtige daardoor redelijkerwijs niet in staat is om nog voor de peildatum van box 3 te betalen.

Goedkeuring
Voor die situatie keur ik het volgende goed. Het bedrag dat op de niet tijdig opgelegde (nadere) voorlopige aanslag binnen de betalingstermijn is betaald, behoort op de peildatum niet tot de bezittingen in box 3. Het bedrag dat niet tot de bezittingen behoort, is gebaseerd op de volgens het verzoek of de aangifte op te leggen (nadere) voorlopige aanslag, maar ten hoogste het bedrag dat uiteindelijk op de aanslag is verschuldigd.

De goedkeuring kan worden uitgevoerd door bij de aangifte het bedrag van één of meer van de (niet vrijgestelde) bezittingen in box 3 te verlagen. De verlaging mag er niet toe leiden dat één van de bezittingen of het totaal van de bezittingen op een negatief bedrag uitkomt.

Als de aanslag inkomstenbelasting over het betrokken belastingjaar al is opgelegd, kan de goedkeuring op schriftelijk of digitaal verzoek van de belastingplichtige worden uitgevoerd door een vermindering van de aanslag.

Voor de belastingjaren tot en met 2010 geldt ook het volgende. In de situatie dat de peildatum van de heffing in box 3 valt in de loop van het kalenderjaar (bij overlijden of emigratie), geldt de goedkeuring ook als het verzoek om een voorlopige aanslag is ingediend uiterlijk drie maanden vóór die peildatum.

Wijziging van de begunstiging van oud-regimelijfrenten ten behoeve van de minstverdienende echtgenoot, gevolgd door omzetting in een lijfrentespaarrekening

De staatssecretaris van Financiën heeft een besluit uitgebracht, waarin duidelijk wordt dat de overgangsbepaling O van de Invorderingswet (en daarmee ook artikel 69 WET IB 1964) ook geldt voor situaties waarin een oud-regime-lijfrenteverzekering fiscaal geruisloos wordt omgezet in een met ingang van 2008 fiscaal mogelijke lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht. Dus als de rekeninghouder de andere echtgenoot is dan degene die in het verleden de lijfrentepremies van de oud-regimelijfrente heeft afgetrokken, moeten de uitkeringen worden belast bij de op het tijdstip van ontvangst meestverdienende echtgenoot.

Een in april 2011 genomen standpunt (1) heeft ertoe geleid dat in identieke gevallen belastingplichtigen op basis van dat standpunt vaststaande posities hebben ingenomen. Dergelijke posities moeten fiscaal worden behandeld conform het in april 2011 door de Belastingdienst voor de specifieke casus ingenomen standpunt omdat belastingplichtigen daaraan vertrouwen mogen ontlenen. Met het oog op de beoordeling of sprake is van opgewekt vertrouwen en om dit voor de toekomst vast te leggen, moeten deze situaties vóór 1 januari 2012 worden gemeld aan de voor de belastingplichtige bevoegde inspecteur van de Belastingdienst. Daarbij dienen stukken te worden overgelegd waaruit het tijdstip van onherroepelijk worden van de begunstiging c.q. het tijdstip van overboeking van het lijfrentekapitaal blijkt.

Zie besluit BLKB2011/1576M

(1)
De specifieke casus betrof een zogenoemde kapitaalverzekering met lijfrenteclausule die was gesloten door de meestverdienende echtgenoot die ook de lijfrentepremies had afgetrokken. Op het tijdstip van de expiratie van de kapitaalverzekering was de minstverdienende echtgenoot onherroepelijk begunstigde van de lijfrente. De lijfrenteclausule moet daarom ook door de minstverdienende echtgenoot worden uitgevoerd en deze doet dat door het inbrengen van het lijfrentekapitaal in een lijfrentespaarrekening. Langs deze weg is in de eerste plaats een fiscaal geruisloze omzetting mogelijk, ondanks het feit dat de andere echtgenoot dan de echtgenoot die oorspronkelijk verzekeringnemer was, de rechthebbende wordt van de lijfrentespaarrekening of het lijfrentebeleggingsrecht. Bovendien hield het standpunt van de Belastingdienst in dat de uitkeringen die op de lijfrentespaarrekening of het lijfrentebeleggingsrecht worden ontvangen door de minstverdienende echtgenoot, ook daadwerkelijk bij die echtgenoot zouden worden belast. Dit ondanks het feit dat de premies voor de lijfrenteverzekering in het verleden bij de andere, meestverdienende echtgenoot in aftrek zijn gekomen.